Neonicotinoïden en bijen: een verhitte strijd zelfs over feiten

Neonicotinoïden (neonics) hebben een overwegend schadelijk effect op bijen en andere bestuivende insecten – niet verwonderlijk, want deze ‘neonics’ zijn bedoeld om (in veel hogere concentraties) insecten te doden. Maar het blijkt erg moeilijk om betrouwbare informatie te verzamelen over schade aan bestuivende insecten. Er woedt op dit terrein zelfs een verhitte strijd over de feiten en hun betekenis. Er staat veel op het spel, ook commercieel. Zoals wel vaker, hebben de controlerende organen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan verschillende keuzes gemaakt. Wie heeft er gelijk – zo iemand al gelijk heeft?

Dit is de tweede van vier columns over neonicotinoïden en hun mogelijke gevolgen voor bijen, en over het bredere vraagstuk van biodiversiteit en zijn belang voor de landbouw. Gepubliceerd op 2 mei, 4 mei, 15 mei en 17 mei.

Hommel
Hommels gaan in veel landen in aantal omlaag. Foto: S. Rae, Wikimedia Commons.

Het debat over alles, ook over de feiten

Ik ben mijn leven lang een milieuman geweest, en daarom ben ik ergens altijd bereid om smerige verhalen over chemische bedrijven en hun giftige producten voor waar aan te nemen. Ik ben opgegroeid met het lezen van Rachel Carson’s Silent Spring, het heeft diepe indruk op me gemaakt. Maar toen ik ouder werd, ontdekte ik dat ik niet de enige was op wie zij zo’n indruk heeft gemaakt – veel van haar lezers moeten zelfs verantwoordelijke posities hebben bekleed in dezelfde chemische bedrijven, en bij hun toezichthouders. Eigenlijk heeft de wereld de zorgen van Carson zeer ter harte genomen, waardoor geheel nieuwe en veel minder giftige routes zijn ontwikkeld voor het in toom houden van schadelijke organismen die de wereldvoedselvoorziening bedreigen. Achteraf beschouwd is dit proces zelfs onvoorstelbaar snel verlopen.

Daarom was ik heel blij toen ik bij mijn onderzoek naar neonicotinoïden en bijen iemand tegenkwam met dezelfde achtergrond als ik, die al het noeste werk had gedaan, nodig om de waarheid te ontdekken: hij heeft alle wetenschappelijke artikelen hierover doorgeploegd, contact opgenomen met de onderzoekers, en hen indien nodig lastige vragen gesteld over hun methoden, hun vooronderstellingen, de zwaktes in hun conclusies. Zijn naam is Randy Oliver. Hij is een imker uit Californië die biologie heeft gestudeerd. Hij heeft me verlost van het monnikenwerk dat nodig is wanneer tegenstellingen zo hoog zijn opgelopen dat men van beide kanten niet meer luistert (zoals in het debat over kernenergie waaraan ik jaren geleden heb deelgenomen), wanneer men in een eigen wereld begint te leven, en alles van de andere kant ter discussie stelt, zelfs de feiten waarmee men komt. In dit conflict roepen maatschappelijke organisaties volkomen onverantwoordelijk ‘red de bijen’ (door het verbieden van neonicotinoïden, natuurlijk); anderzijds zijn sommige vertegenwoordigers van de industrie hun tegenstanders ‘terroristen’ gaan noemen. Ik was heel blij iemand tegen te komen die zijn hoofd koel hield te midden van dit geweld. Daarom ben ik zeer dankbaar dat ik gebruik heb mogen maken van het werk van Randy Oliver.

Oorzaken zijn vaak moeilijk vast te stellen

We kunnen op dit terrein veel feiten slechts met grote moeite vaststellen. Hoewel ik in mijn eerste column stelde dat honingbijen lang niet het enige vraagstuk vormen, laten we ons toch even tot hen beperken. We kunnen vrij eenvoudig de gevolgen van neonicotinoïden op in gevangenschap levende insecten constateren. Op dit terrein vinden onderzoekers steeds duidelijke effecten op gezondheid en/of gedrag van hoge doses – doses die de insecten in het echte leven waarschijnlijk nooit zullen tegenkomen. Maar we kunnen deze resultaten maar moeilijk vertalen naar situaties in het echte leven. Ten eerste is de concentratie neonicotinoïden in stuifmeel en nectar altijd veel lager dan in het lab (typisch 100x lager). Doorgaans vindt blootstelling aan de gifstoffen in het lab ook veel langer plaats dan in de natuur, waar planten maar kort bloeien. Verder foerageren honingbijen over grote afstanden, vaak tot een paar kilometer van de korf. Ze zullen daarbij op hun weg veel onbehandelde bloemen vinden. Sommige onderzoekers hebben gezien dat bijen de voorkeur geven aan onbehandelde bloemen. De diertjes kunnen in gevangenschap ook niet hun natuurlijke gedrag vertonen; ze kunnen juist hierdoor onder stress staan. Tenslotte, het meest belangrijk, zijn honingbijen sociale dieren. Ze kunnen worden gepoetst bij terugkeer in de korf, en dat kan verontreinigd stof verwijderen (of niet). Uit veldstudies blijkt steeds een veel lagere giftigheid van neonicotinoïden dan in het lab. Sommige onderzoekers achten het onmogelijk om ooit een duidelijk causaal verband te leggen voor de effecten van deze stoffen speciaal bij honingbijen, gegeven hun verre voedseltochten, de vele gewassen die zij bezoeken, en de wisselende concentraties van de verschillende neonicotinoïden daarin.

Pyjamazweefvlieg neonicotinoïden
Misschien ondervindt ook de pyjamazweefvlieg de gevolgen van neonicotinoïden. Foto: Guido Gerding, Wikimedia Commons.

Op grond hiervan denken veel onderzoekers dat honingbijen misschien niet het grootste probleem zijn – hommels (die in veel kleinere kolonies leven) en solitaire bijen zouden veel sterker de gevolgen kunnen ondervinden. En inderdaad, hun aantallen zijn fors omlaag gegaan, tenminste in Europa. Maar dit bewijst weer niet dat neonicotinoïden hieraan schuld hebben. Mijten, virussen, schimmels en habitatverstoring kunnen net zo belangrijk zijn. Dezelfde overwegingen gelden voor andere bestuivende insecten als vlinders, motten en zweefvliegen, die ook achteruit gaan in aantallen. De getallen zijn ernstig, maar de oorzaken zijn onbekend. Randy Oliver, die zijn hele leven aan het milieu heeft gewijd, komt zelfs tot de conclusie: ‘Elke claim dat neonics de dood van veel bijen veroorzaken is ongegrond en niet ondersteund door concreet bewijs.’

Synergetische effecten van neonicotinoïden

Maar ik vind het net zo ongegrond om te beweren dat sterfgevallen ten gevolge van neonics minder dan 1% van het totaal zijn zoals gesuggereerd door de site Genetic Literacy Project, dat werkt onder de pretentieuze titel ‘Geen ideologie maar wetenschap’. Door zo’n getal te noemen (zelfs als het komt uit een enquête onder imkers, niet uit onderzoek) neemt de auteur aan dat er slechts één oorzaak is van de geconstateerde effecten, terwijl ik uit de literatuur opmaak dat onderzoekers algemeen denken aan vele oorzaken die elkaar versterken. Blootstelling aan neonicotinoïden kan bijvoorbeeld het immuunsysteem van het insect verzwakken waardoor het kwetsbaarder is voor aanvallen door ongedierte en virussen. De werkzaamheid van het insectenbestrijdingsmiddel wordt misschien versterkt door andere pesticiden gebruikt door boeren. Ik heb niet één onderzoek gevonden, zelfs niet van de kant van de industrie, die deze hypothese probeert te ondermijnen van meerdere oorzaken waarin neonicotinoïden een rol spelen.

Sommige onderzoekers vonden bijvoorbeeld dat blootstelling aan meerdere bestrijdingsmiddelen schadelijk is voor bijen (genoemd door Randy Oliver). Britse onderzoekers ontdekten dat sommige schimmelwerende middelen ‘zelf vrijwel niet giftig zijn maar de giftigheid van sommige neonicotinoïden en pyrethroïden wel 1000 keer zo groot kunnen maken.’ Ze vermelden ook dat onder invloed van neonicotinoïden de vaardigheden bij het zoeken van voedsel achteruit gaat bij honingbijen en hommels; dit zou mogelijk leiden tot voedselgebrek, wat weer de weerstand tegen bestrijdingsmiddelen kan aantasten, spiraalsgewijs. Let s.v.p. op het gebruik van de woorden ‘kunnen’, ‘mogelijk’ en ‘kan’ in deze zinnen. Uit een Franse studie bleek hogere sterfte bij honingbijen wanneer de parasiet Nosema en imidacloprid beide aanwezig waren, dan wanneer slechts één daarvan aanwezig was. De onderzoekers vonden dit effect ook bij zeer lage doses van imidacloprid, hoewel het duidelijker was bij hogere doses.

Het zou in een neutrale omgeving al heel moeilijk zijn om beleidsconclusies te trekken uit zulke bevindingen omgeven met veel mitsen en maren. In een klimaat waarin partijen zich hebben ingegraven (en waarin de net geciteerde auteurs bevooroordeeld worden genoemd), zal dat nog veel moeilijker zijn. In zo’n klimaat wordt onderhandeling onmogelijk, en zal elke beslissing worden uitgelegd in termen van winnen of verliezen. Zoals vermeld maken Amerikanen andere keuzes dan Europeanen. Betekent dit dat de Amerikanen ruim baan geven aan de belangen van de industrie, en dat de Europeanen zwichten onder de druk van maatschappelijke organisaties? Daar zullen we in de volgende column naar gaan kijken.

Zie ook:
https://www.geneticliteracyproject.org/2016/03/01/bee-health-update-latest-field-studies-conclude-neonicotinoids-not-key-problem/
https://www.theguardian.com/environment/2016/sep/22/pesticide-manufacturers-own-tests-reveal-serious-harm-to-honeybees
https://www.geneticliteracyproject.org/2015/08/12/pollinator-myth-bees-responsible-one-third-global-food-heightening-crisis-like-7/
https://grist.org/food/why-the-bee-crisis-isnt-as-bad-as-you-think-but-still-matters/
https://grist.org/food/why-are-bees-hurting-a-lineup-of-suspects/
https://grist.org/food/heres-the-real-thing-killing-bees-us/

(Visited 1 times, 1 visits today)

1 gedachte over “Neonicotinoïden en bijen: een verhitte strijd zelfs over feiten”

  1. U maakt zich klaarblijkelijk geen zorgen over het feit dat sinds de invoering van neonicotinoïden in de landbouw in de jaren 1990 tachtig procent van de biomassa van insecten is verdwenen, zoals ik dat in mijn boek Disaster in the Making heb voorspeld. U laat zich schijnbaar liever door Bayer lobbyisten in de luren leggen.

    Beantwoorden

Plaats een reactie