Ecomodernisme, een geweldig idee en een grote teleurstelling

Ecomodernisme! Het zou een doorbraak kunnen betekenen in de patstelling tussen voorstanders van economische groei en hen die radicale veranderingen voorstaan, bijvoorbeeld ter voorkoming van klimaatrampen. De term combineert elementen van beide kanten. Daarom begon ik met hoge verwachtingen ‘An Ecomodernist Manifesto’ te lezen, gedateerd april 2015 maar pas kort geleden gelanceerd in het VK. Maar wat een teleurstelling. Uiteindelijk verdedigen de opstellers het ouderwetse modernisme, ‘vooruitgang’, alsof er geen postmodernisme is geweest.

North Chili Codelco Mine Antofagasta Groasis Waterboxx trials
Een van de kleinschalige technologieën die bijdragen tot groene groei is de Groasis Waterboxx. Deze maakt herbeplanting mogelijk zelfs in zeer droge gebieden. Foto: proef met Waterboxx beplanting in Antafogasta, Noord-Chili. De plastic vaten zijn biologisch afbreekbaar.

Ecomodernisme: harmonie tussen technologie en duurzaamheid

Het uitgangspunt van ecomodernisme is geweldig: de auteurs stellen voor dat ‘de mensheid haar groeiende sociale, economische en technologische vaardigheden gebruikt om mensen een beter leven te geven, het klimaat te stabiliseren, en de natuur te beschermen’ (p.6). Dit is in lijn met onze waarneming in ons boek Groene Groei dat technologische innovatie op dit moment op het spoor zit van duurzaamheid; en dat veel bedrijven in industrielanden in duurzame technologie hun middel zien voor verdere ontwikkeling. Alleen al dit gegeven dat duurzaamheid en technologieontwikkeling parallel lopen, is nieuw; in de jaren zeventig nog stond een groot deel van de milieubeweging vijandig tegenover technologie, terwijl veel technologen het milieuprobleem zagen als marginaal.

Het uitgangspunt is dus geweldig, maar dan lezen we dat ‘toegang tot veel energie een essentiële voorwaarde is voor menselijke ontwikkeling en voor ontkoppeling van ontwikkeling van natuur’ (p.19). En we komen zelfs de woorden ‘onbeperkte hoeveelheden energie’ (p.10) tegen in een positieve context. Ik had niet gedacht dat dat mij ooit nog zou gebeuren. Laat de lieve Heer ons toch daarvoor beschermen. Onbeperkte hoeveelheden energie zouden betekenen dat we alle kattenkwaad zouden kunnen uithalen waarvan wij ooit hebben gedroomd (want we zouden de schade kosteloos kunnen opruimen). Onze belangrijkste taak als mensheid met betrekking tot energie is, deze zo verantwoord, d.w.z. zo zuinig mogelijk te gebruiken. Het idee, laat staan het ideaal van onbeperkte hoeveelheden energie past niet in een duurzame economie. Hierna verbaast het ons niet meer dat de opstellers energietechnologieën willen bevorderen ‘die compact zijn, en tientallen terawatts aan energie kunnen leveren, nodig voor een groeiende economie’ (p.22). Concreet: kernsplijting, kernfusie en ook een klein beetje duurzame energiebronnen. De opstellers zeggen ons dat wij moeten vertrouwen op technologie; maar ze lijken nooit te hebben gehoord van de vele zachte en kleinschalige technologieën, bijvoorbeeld in de groene chemie die ons tot technologisch optimisten hebben gemaakt, omdat die nu juist voor allerlei grote en kleine problemen een duurzame en betaalbare oplossing bieden.

Kerncentrale
Zouden we kerncentrales nodig hebben om ons te voorzien van onbeperkte hoeveelheden energie?

Het gevecht tegen een zelfgeschapen vijand

Terug naar de inleiding. Daar lezen we dat de opstellers vinden ‘dat de mensheid haar effect op het milieu moet terugdringen, om meer ruimte te maken voor de natuur’; dit is het beginsel van intensivering van de productie – een goede leidraad, omdat dit hogere productiviteit van hulpmiddelen en grondstoffen betekent. Meer opbrengst in (milieuvriendelijke) landbouw betekent bijvoorbeeld meer ruimte voor natuur. Maar in dezelfde zin verwerpen ze het idee ‘dat mensen in harmonie moeten komen met de natuur om economische en ecologische ineenstorting te voorkomen’ (p.6). Hier scheppen de opstellers een kunstmatige tegenstelling. Zij doen het voorkomen alsof milieumensen ons oude technologieën willen laten gebruiken om de harmonie met de natuur te herstellen; en dan stellen zij ‘dat elke poging om mensen op grote schaal weer deze (oude) technologieën te laten gebruiken, op een ramp zou uitlopen, zowel economisch als ecologisch.’ Maar is iemand ooit milieumensen tegengekomen die wilden dat wij weer oude technologieën zouden gaan gebruiken? De opstellers denken misschien aan biologische landbouw. Maar er zijn zo véél oude technologieën. Zouden milieumensen terug willen naar kaarslicht? Of naar ossenwagens? Het is gemakkelijk voor de opstellers om een zelfgeschapen vijand te bevechten!

Ecomodernisme, op deze manier voorgesteld, bijt zichzelf in zijn staart. Het juiste inzicht dat technologie niet langer strijdig is met ecologie wordt direct belachelijk gemaakt door hun favoriete technologieën: kernenergie als de meest ‘moderne’ technologie; in hun hele manifest noemen de auteurs niet één andere technologie, zelfs al vertellen ze ons dat wij daarop moeten vertrouwen. Ja, zij steunen verstedelijking als een andere vorm van intensivering. Maar ze vertellen niet met wat voor soort landbouw deze megasteden gevoed zouden moeten worden. Precisielandbouw zou dat kunnen doen met minimale milieuschade, maar het lijkt alsof ze er nooit van hebben gehoord. Tegenover deze onvoorwaardelijke verstedelijking stellen wij de ‘biobased economy’ als een ‘ecologisch verantwoord’ economisch systeem. Een economie die het platteland weer tot leven zou kunnen wekken, omdat groene en kleinschalige milde industrieën er hun plaats zouden kunnen vinden, een echte bron van groene groei, maar radicaal tegengesteld aan het Utopia van de opstellers.

Critici van ecomodernisme

Natuurlijk komt er kritiek op dit ecomodernisme. In de Guardian bekritiseert George Monbiot het idee van de opstellers dat grootschalige landbouw efficiënter zou zijn dan kleinschalige. De auteurs waren teleurgesteld, ze hadden gedacht dat Monbiot als voorstander van het verwilderen van natuurgebieden hun idee van intensivering wel zou hebben gesteund. Maar hun beeld van een vrijwel boerenvrije landbouw (ik overdrijf) overtuigt niet. Alle problemen komen samen in hun ouderwetse begrip modernisme, alsof er geen postmodernisme is geweest. Dit werken ze uit in hoofdstuk 6. Zij hebben één recht technologisch ontwikkelingspad omhoog voor ogen, en een overeenkomstig economisch pad, dat leidt naar ‘veel meer materiële welvaart… en persoonlijke vrijheid (p.28). Ze verdedigen in feite de ouderwetse vooruitgang. Dit maakt ook duidelijk waarom zij niet onderscheiden tussen verschillende soorten technologieën. Bij vooruitgang is er slechts één ontwikkelingspad, het alternatief is primitivisme. Hun stelling, kort geformuleerd, is: vooruitgang heelt alle wonden.

Dit verwrongen begrip ecomodernisme geeft een verkeerd idee van wat technologie kan betekenen voor duurzaamheid; het raakt niet de kern van de zaak, en lokt daardoor ook kritiek uit die de kern van de zaak niet raakt. De opstellers zijn slachtoffer van begripsverwarring waarbij zij intensivering (het doelmatig gebruik van natuurlijke hulpmiddelen) verwarren met ruimtelijke concentratie, en dit op zijn beurt met grootschalige technologieën. Terwijl kleinschalige technologieën net zo doelmatig en ‘intens’ kunnen zijn, en veel milder. Uit dit eenzijdige manifest kan niet veel goeds voorkomen.

Interessant? Lees ook onze bespreking van het boek Ecomodernisme, Het nieuwe denken over groen en groei.

(Visited 2 times, 1 visits today)

Plaats een reactie