Drop-ins, een dwaalweg voor de biobased economy

Begin dit jaar publiceerde nova-Instituut uit Duitsland weer een goed doordacht stuk over de biobased economy. Het begint met de constatering dat tien jaar Europees beleid nog niet heeft geleid tot overtuigende resultaten. Er wordt nu niet méér biomassa gebruikt in de Europese chemische en kunststofindustrieën dan tien jaar terug. De enige sectoren met groei zijn bio-energie en biobrandstoffen. Het lijkt erop dat Europa hierop mikt voor zijn biobased ontwikkelingsmodel, dus op drop-ins. Maar dit is een doodlopende straat. Biobrandstoffen zijn niet de wegbereiders van een bloeiende biobased economy.

Dit is de eerste van twee columns over de Europese biobased economy strategie, gepubliceerd op 23 oktober en 27 oktober 2016.

Biobrandstoffen wijzen niet de weg naar de biobased economy

Maar men zou kunnen vragen: bio-energie en biobrandstoffen zijn toch onderdeel van de biobased economy? Wat is dan het probleem? Laten we de redenering van nova-Instituut volgen. Ten eerste, zeggen zij, hebben deze twee sectoren nauwelijks raakvlakken met de rest van de biobased economy, te weten: de productie van groene chemicaliën en materialen, de economische potentie van de sector. Maar onder de biobrandstoffen wordt toch veel ethanol gemaakt, zo kan men verder vragen, dat kan worden gebruikt voor de productie van etheen, en vervolgens voor een grote hoeveelheid groene chemicaliën en materialen? Dit is het idee dat de biobrandstoffensector zou kunnen werken als voorloper van de productie van groene chemicaliën en materialen. Dit is het terrein van de drop-ins: groene chemicaliën die precies passen in het bestaande systeem van de petrochemie. Drop-in chemicaliën kunnen snel worden toegepast, en zoals nova schrijft stoten ze ‘vaak’ (sic) minder broeikasgassen uit dan hun petrochemische tegenhangers. Maar is dat genoeg? Het hangt van de drop-ins af of biobrandstoffen inderdaad de voorloper kunnen zijn van de biobased economy als geheel.

Productie van polyetheen langs de drop-ins weg.
Productie van polyetheen langs de drop-in weg.

Maar nova-Instituut heeft een paar onprettige waarheden te zeggen over drop-in chemicaliën. Drop-ins hebben geen nieuwe of aanvullende eigenschappen. Ze moeten daarom op prijs concurreren met petrochemicaliën, die goedkoop zijn zo lang de olieprijs laag is. De enige manier om deze nadelen te overwinnen (maar zonder garantie op succes) is om de fabrieken zó groot te maken dat alleen zeer grote havens als Rotterdam of Hamburg nog goede vestigingsplaatsen zijn: de grondstof moet worden aangevoerd van over de hele wereld. Zulke fabrieken moeten stevig ondersteund worden door het beleid, in de vorm van lange-termijn voordelen, en waarschijnlijk ook door een langdurige bereidheid bij het publiek om ‘groene premies’ te betalen voor deze groene materialen. Voorlopig lukt geen van beide. Dat maakt drop-in chemicaliën een zeer wankele basis voor verdere ontwikkeling. Het idee dat biobrandstoffen de weg zouden kunnen banen voor de biobased economy is daarmee vrijwel onhaalbaar.

bosDrop-ins zouden zwaar moeten worden ondersteund

Groene premies zijn al onhaalbaar, maar nog erger is de grote politieke inspanning die nodig is voor deze koers. De hele Europese biobrandstoffensector zou al nauwelijks bestaan zonder krachtige ondersteuning door beleid. Nova betoogt overtuigend dat nog sterker beleid veel nadelen heeft. De vereniging van Duitse chemische industrieën heeft al geschreven dat bij dit ontwikkelingsmodel grote hoeveelheden laag-energetische grondstoffen ingevoerd zouden moeten worden in Europa, tegen hoge transportkosten. Vanuit milieuoogpunt zou het kunnen leiden tot ontbossing in enkele Amerikaanse staten. Bovendien, hiermee zouden regeringen inefficiënte grootschalige industriële processen ondersteunen, in plaats van innovatieve, efficiënte en speciale processen die kunnen worden ontwikkeld door het MKB. Vanuit beleidsoogpunt betekent dit het nog sterker ondersteunen van een sector die al zwaar leunt op het beleid. Tot nu toe heeft het Europese beleid de lasten gelegd op de schouders van consumenten (door verplichte hoeveelheden biobrandstoffen in de brandstoffenmix); bij steun aan megafabrieken zullen staten grote hoeveelheden investeringsgeld mee moeten financieren.

Dit alles is alleen zinvol als het voorkomen van CO2-uitstoot ons hoogste beleidsdoel zou zijn. De bestaande richtlijn (RED) let alleen op CO2 en heeft geen oog op andere belangrijke zaken als doelmatig gebruik van de grondstof, het vinden van de nuttigste toepassingen en de circulaire economie. Het beleid leidt tot politieke spelletjes waarbij de industrie probeert sommige soorten biomassa te laten classificeren als afval (omdat dan het maken van biobrandstoffen daaruit meer winst oplevert), terwijl deze ook kunnen worden gebruikt voor het maken van materialen (met dezelfde of zelfs betere reductie van CO2-uitstoot). Het belemmert andere even waardevolle toepassingen van biomassa, omdat het de prijzen opjaagt. Het verwaarloost andere veel betaalbaarder manieren om CO2-uitstoot te voorkomen zoals woningisolatie. Het leidt tot inefficiënt gebruik van land (omdat andere toepassingen de biomassa beter benutten) en gaat voorbij aan innovatie, concurrentiekracht en werkgelegenheid. Tot nu toe heeft Europa eenzijdig gekeken naar CO2 en biobrandstoffen, en vaak ten onrechte gedacht dat dit zou leiden tot een bloeiende biobased economie, via de weg van drop-ins.

(Visited 3 times, 1 visits today)

Plaats een reactie