Kringlooplandbouw, het toekomstmodel

In september 2018 kondigde de Nederlandse minister voor landbouw Carola Schouten aan dat kringlooplandbouw centraal komt staan in haar beleid. Kringlooplandbouw heeft de toekomst. Ze wil belemmeringen daarvoor wegnemen en het model in heel het land propageren.

koeien kringlooplandbouw
Koeien moeten vezelrijk en eiwitarm voer krijgen. Foto: Christopher Michel, Wikimedia Commons.

Een oud principe in een modern jasje

Kringlooplandbouw is eigenlijk het herleven van oude landbouwmethoden in een nieuw jasje. Het idee is, zó te boeren dat de verliezen in de kringloop tot een minimum worden beperkt. Dit was natuurlijk ook het principe van het gemengde boerenbedrijf, overheersend tot aan de landbouwrevolutie rond 1900. In een gemengd boerenbedrijf was er zowel akkerbouw als veeteelt; paard en varken aten wat voor mensen niet verteerbaar was, kippen pikten de laatste restjes op, en alle mest keerde terug naar het land. Dit model werd doorbroken met de komst van kunstmest. Deze maakte monoculturen mogelijk, en de verzelfstandiging en optimalisering van afzonderlijke delen van het oude systeem. Kringlooplandbouw is een terugkeer naar het oude idee van hergebruik van alle onderdelen van het systeem, maar dan op een hoger niveau, gebruik makend van moderne technologie.

De basis voor deze nieuwe benadering werd gelegd door Jaap van Bruchem. Eind jaren negentig ontdekte deze onderzoeker van Wageningen UR het belang van het sluiten van de kringloop voor een gezonde melkveehouderij. De basisgedachte was dat er door kunstmest en import van krachtvoer te veel stikstof op het land terecht komt. Hij begon de koeien juist vezelrijk en eiwitarm voer te geven. Daarmee steeg de benutting van stikstof, en gaven de koeien een betere kwaliteit mest: arm in ammonium. Deze mest zorgt voor een actievere bodem: beter microbioom, onderdrukking van denitrificerende bacteriën, gezond gewas. Hij hoeft niet in de bodem te worden geïnjecteerd, en kan zelfs met bermmaaisel worden opgewerkt tot een reukloze compost. Kringloopbedrijven maken gebruik van zo weinig mogelijk inputs, en proberen de kringlopen zoveel mogelijk te sluiten, vooral die van stikstof, fosfor, koolstof, energie en water. De beste inrichting van die kringlopen is uiteraard afhankelijk van de omstandigheden: bodem, gewas, kosten – waardoor er niet één maatgevend model van kringlooplandbouw bestaat. Vaak hebben kringloopboeren op korte termijn wel een wat lager inkomen. Maar steeds met beter zicht op een gezonde bedrijfsvoering op de lange termijn.

Acxhterhoek kringlooplandbouw
De Achterhoek is onderwerp geweest van een studie naar kringlooplandbouw. Foto: Frans Bosch, Wikimedia Commons.

Onbalans in de wereld-landbouw

Misschien is kringlooplandbouw vooral in Nederland een krachtig principe, omdat in de Nederlandse landbouw bij uitstek open einden zijn ontstaan. Nederland kent een buitengewoon grote veestapel, gebaseerd op de geografische positie als doorvoer- en handelsland. Na de Tweede Wereldoorlog is een model succesvol geworden waarbij Nederland diervoeder importeert, daarmee varkens, koeien en kippen voert, en vervolgens vlees, melk en eieren exporteert. Op 18 miljoen inwoners telt Nederland 25 miljoen varkens, 4 miljoen koeien en zelfs 100 miljoen kippen. Geen wonder dat al vijftig jaar lang de overproductie van mest hier een groot probleem is, terwijl het Nederlandse model betekent dat de bodem in de exportlanden verarmt.

Natuurlijk hoeft in onze maatschappij de kringloop niet te worden gesloten binnen één bedrijf. De kringloop kan ook regionaal gestalte krijgen, zoals in het model dat Johan Sanders e.a. een aantal jaren geleden hebben ontwikkeld voor de Achterhoek. Ten eerste is er een levendige handel ontstaan in reststromen van de landbouw, waarop zulke modellen kunnen voortbouwen. Ten tweede kunnen we in de nieuwe circulaire modellen gebruik maken van moderne technieken als biotechnologie en bioraffinage. Sanders c.s. maken gebruik van drie moderne principes: (1) ze herverdelen voedingsstoffen, zodanig dat koe en varken hun voedsel precies krijgen in de juiste samenstelling, zodat ze minder mest produceren, (2) ze vergroten de verteerbaarheid van voedingsvezels door deze voor te bewerken en (3) met bioraffinage geven ze economische waarde aan vroeger waardeloze restproducten als bermgras en hullen.

Kipster kringlooplandbouw
Scharrelende kippen. Foto: Kipster.

Nog heel veel reststromen om te gebruiken

In een uitstekend artikel in het decembernummer van Wageningen World geeft Albert Sikkema een indruk van de toekomst van kringlooplandbouw. Hij begint met een beschrijving van Kipster, de ‘meest dier-, mens- en milieuvriendelijke kippenboerderij ter wereld’, volgens hun website. Kipster maakt gebruik van moderne inzichten in het gedrag van dieren, zoals ook het Rondeel. Kippen vinden in deze stallen een goede omgeving voor alle activiteiten die hun natuur vereist, zoals foerageren, rusten en stofbaden. En bij Kipster worden de kippen bovendien gevoerd met reststromen uit de voedingsindustrie, zoals koekjesresten. De kippen eten met andere woorden geen voer dat wij ook hadden kunnen eten. Kipster kan daarmee nog even vooruit. De Europese voedingsindustrie produceert jaarlijks zo’n 115 miljoen ton aan reststromen, waarvan nu slechts 4 à 5 miljoen ton wordt gebruikt voor veevoer. En Kipster is een economisch kansrijk model: de eieren zijn niet duurder dan die uit dieronvriendelijke stallen.

Minister Carola Schouten heeft dan ook voor ogen dat de kringlooplandbouw zich gaat uitstrekken over alle hoeken van de bedrijfstak. Ze schrijft: ‘in een stelsel van kringlooplandbouw gebruiken akkerbouw, veehouderij en tuinbouw in de eerste plaats grondstoffen van elkaars ketens en reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie en voedingsketens. Vee wordt in de eerste plaats gevoed met gras, voedergewassen of gewasresten van het eigen bedrijf of uit de directe omgeving.’ Schouten wil met haar kringloopvisie vele knelpunten oplossen in de huidige, op wereldmarkt en lage kostprijs gerichte landbouw. Kringlooplandbouw moet leiden tot minder milieuvervuiling, meer biodiversiteit, een hoger boereninkomen, minder verspilling van grondstoffen en voedsel, en minder uitstoot van broeikasgassen. De natuurorganisaties reageerden terughoudend: vooralsnog te veel idee, te weinig concreet. Laat ze maar eens tonen wat het in de praktijk gaat betekenen.

Belemmeringen voor kringlooplandbouw

Er zijn momenteel veel wettelijke belemmeringen voor kringloopbedrijven, het gevolg van een beleid dat tientallen jaren gericht is geweest op productmaximalisatie. De minister zal deze belemmeringen snel moeten wegnemen. Een belangrijke bottleneck voor de kringloop-veehouderij is dat veel afvalproducten uit de voedselketen op dit moment niet in veevoer verwerkt mogen worden. Sinds 2003 is het verboden om keukenafval en etensresten te voeren aan koeien, varkens en kippen. Ook het zogenoemde diermeel – fijngemalen karkassen en andere restanten van dieren – mag niet in veevoer worden verwerkt vanwege de kans op onder meer BSE, gekkekoeienziekte. In Japan wordt echter 35 procent van het voedselafval verwerkt in varkensvoer. Met voldoende verhitting is er vrijwel geen kans op besmetting in de voedselketen meer. Verder moeten boeren tegenwoordig drijfmest injecteren in de bodem, terwijl de kringloopboer zijn stikstofarme mest liever wil rijpen door deze te composteren, en dan óp de grond wil brengen. Daarom hoeven kringloopboeren hun koeien ook niet in dichte stallen te zetten, zoals het beleid nu wil, om de uitstoot van ammoniak en broeikasgassen te beperken. De minister wil zulke belemmeringen wegnemen, maar ze heeft nog geen concrete plannen. Wel belooft ze in haar visie ‘de koplopers vanaf nu een stevige steun in de rug te geven voor de innovaties, experimenten en kringloopinvesteringen die zij de afgelopen jaren al tot stand hebben gebracht’.

De minister zegt het goed: kringlooplandbouw, ook in deze moderne vorm, bestaat al jaren in Nederland. Al 20 jaar lang is er een netwerk van boerenbedrijven en adviseurs op dit gebied. Ongeveer 150 Nederlandse boeren passen die kringloopprincipes toe, ondanks de tegenwerking van het beleid. Dat was tot nu toe altijd gericht op een zo hoog mogelijke productie voor de wereldmarkt tegen zo laag mogelijke kosten. Zelfs de milieu-indicatoren zijn daarop nog afgestemd. Zo wordt duurzaamheid in het milieubeleid vertaald naar de minste milieuschade per kilo vlees, liter melk of kilo aardappelen, waardoor massaproductie als beste uit de bus komt. Voor kringloopboeren betekent duurzaamheid echter een zo laag mogelijke milieuschade per hectare. Wat vrijwel hetzelfde is als werken met zo min mogelijk externe inputs. Kringlooplandbouw brengt met zich mee dat de hele logica van de sector op zijn kop moet.

Proefbedrijven kringlooplandbouw

Wageningen UR heeft een aantal proefbedrijven waarop onderzoekers met deze principes experimenteren. De Marke is een melkveebedrijf dat zelf het veevoer produceert. Mest en mineralen worden zo efficiënt mogelijk gebruikt zodat de behoefte aan grondstoffen en energie zo laag mogelijk is. Het bedrijf gebruikt sinds 1993 geen fosfaatkunstmest meer en nauwelijks nog stikstofkunstmest. De koeien vreten veel kuil en weinig krachtvoer, waardoor het bedrijf weinig ammoniak uitstoot. In de Proeftuin Agro-ecologie & Technologie in Lelystad werkt Wageningen UR aan de principes van circulaire akkerbouw. De basis daarvan bestaat uit een goede bodem met veel organische stof. Deze kan goed water opnemen en is beter bestand tegen droogte. Hij houdt meer stikstof en mineralen vast, biedt een rijker bodemleven en draagt bij aan gezonde gewassen. Bemesting vindt plaats door gerijpte mest met stro, en niet met drijfmest. En op het bedrijf wordt zo weinig mogelijk geploegd, want door ploegen komen koolstofverbindingen in de bodem in aanraking met zuurstof, waardoor zij verdwijnen in de vorm van CO2. In het teeltplan staat de zorg voor een gezonde bodem voorop.

Maar er zal ook iets moeten veranderen aan de landbouweconomie om de kringlooplandbouw tot een succes te maken. Kringloopboeren zullen een verdienmodel moeten hebben. Het huidige beleid leidt tot een wereldwijde race to the bottom, met lage prijzen voor de consument, dat wel, maar ook met veel voedselverspilling. Wageningen World citeert landbouweconoom Krijn Poppe, die vindt dat ongeprijsde elementen van de landbouwproductie een prijs moeten krijgen. Zoals het opmaken van de fosfaatvoorraad, en de productie van afval en broeikasgassen. Hij geeft de suggestie dat veevoerbedrijven een statiegeldsysteem invoeren op de mineralen in het veevoer. Boeren die dit veevoer aankopen, moeten de mest van hun koeien dan tegen vergoeding kunnen inleveren bij de veevoerfabriek. Zo sluit je de mineralenkringloop tussen voerfabrikant en boer, verwacht de econoom. Kringlooplandbouw geeft ook, zo denken wij, een ruimere keuze aan boeren in hun bedrijfsvoering. Tot nu toe kunnen boeren alleen meer inkomsten genereren met meer van hetzelfde: meer melk, meer varkens enz. Een kringloopbedrijf geeft kansen op differentiatie, bijvoorbeeld door de dieren ander voer te geven, door over te schakelen naar een ander eindproduct, of door een andere kwaliteit te bieden.

Kringlooplandbouw is een uitstekend principe; maar er moet nog veel werk worden verzet voordat het brede toepassing gaat vinden.

Interessant? Lees dan ook:
Naar precisielandbouw met kleinere milieueffecten
Micronutriënten, klein maar essentieel
Vruchtbare bodems als koolstofopslag

(Visited 6 times, 1 visits today)

Plaats een reactie