Grenzen aan gebruik van biomassa

Sinds het begin van deze eeuw woedt een discussie over grenzen aan gebruik van biomassa voor energie, om de CO2-uitstoot door de mens te beperken. Na een enthousiast begin is het beleid nu veel meer terughoudend. Hoe kijken wij daar na zoveel jaren tegenaan?

Dit is het eerste van twee artikelen over grenzen aan gebruik van biomassa voor energieopwekking. De artikelen werden gepubliceerd op 5 oktober en 23 oktober 2018.

Hans Carl von Carlowitz
Hans Carl von Carlowitz

Zou het denken over duurzaamheid kort geleden zijn ontstaan? Bijvoorbeeld aangestoken door het boek Dode Lente (Silent Spring) van Rachel Carson uit 1962? Neen, de grondlegger van het denken over duurzaamheid leefde al veel eerder, rond 1700. Dit was een Duits edelman, met de naam Hans Carl von Carlowitz, afkomstig uit een geslacht van rentmeesters. Hij is beroemd in Duitsland maar daar buiten vrijwel onbekend. Zijn streek van Saksen, het Ertsgebergte, bevatte veel zilver. Maar de zilvermijnen, waar duizenden mensen werkten, werden eind 17e eeuw in hun bestaan bedreigd. Het probleem was niet dat de ertsen uitgeput raakten – het probleem was dat het hout waarmee de mijngangen werden gestut, uitgeput raakte. Hout werd bovendien gebruikt voor het maken van houtskool, waarmee het erts werd gesmolten. Voor het winnen van zilver waren tientallen jaren lang hele wouden geveld, zonder herplanting. Beken werden gekanaliseerd zodat hout van verder weg kon worden aangevoerd, maar dat stelde de crisis alleen maar uit en bestreed hem niet. Vanwege het negeren van grenzen aan gebruik van biomassa moest een deel van de mijnen sluiten, omdat een essentieel hulpmiddel op raakte.

Duurzaamheid, al in de 18e eeuw

In zijn boek Sylvicultura oeconomica, oder haußwirthliche Nachricht und Naturmäßige Anweisung zur wilden Baum-Zucht formuleert Von Carlowitz hoe de mensheid moet omgaan met een schaarse grondstof als hout. Precisie is essentieel. Wij moeten bomen herplanten, in zo’n tempo dat de aangroei gelijke tred houdt met de kap. ‘De hoogste kunst/wetenschap/vlijt bereiken deze landen / door een zodanige bescherming en aanplant van hout / dat er een ononderbroken en duurzame benutting ontstaat / omdat dit onontbeerlijk is / voor het voortbestaan van het land’ (p.105-106). Dit is lang vóór het rapport ‘Grenzen aan de groei’ van de Club van Rome! De kernwoorden zijn ‘duurzame benutting’, in het Duits ‘nachhaltende Nutzung’. In de jaren ’70 van de vorige eeuw greep de Duitse milieubeweging terug op de gedachten van Von Carlowitz; het woord voor duurzaamheid in het Duits is dan ook ‘Nachhaltigkeit’, ‘volhoudbaarheid’ letterlijk vertaald.

Van deze volhoudbaarheid komt helaas weinig terecht als de mensheid precisie negeert, de grenzen aan gebruik van biomassa overboord zet en deze volop gaat gebruiken om de CO2-uitstoot aan banden te leggen. Weliswaar ziet het er prachtig uit als we alleen de grote lijnen bekijken en de details over het hoofd zien. Onze planeet produceert ongeveer 200 miljard ton nieuwe biomassa, elk jaar. Ongeveer 9 daarvan hebben we nodig voor de voedselproductie; uiteindelijk eten we daarvan elk jaar 3 miljard ton op; dus dan kan er nog best wat af voor ons energiegebruik, zou je zeggen. Maar dat verandert drastisch wanneer we het jaarlijks energiegebruik uitdrukken in biomassa: dat zou zo’n 45 miljard ton zijn, vijf keer zoveel als we voor ons voedsel verbouwen, of vijftien maal zoveel als ons voedsel zelf. Op dit moment verbranden we daadwerkelijk 4 miljard ton biomassa, vooral hout, stro en mest (vooral bij eenvoudig gebruik in ontwikkelingslanden); de overige ruim 40 miljard ton zouden we moeten verstoken om even veel energie te krijgen als nu uit fossiele brandstoffen (2 ton droge biomassa komt ruwweg overeen met 1 ton fossiele brandstof).

grenzen aan gebruik van biomassa
Soja-oogst in Brazilië

De controverse over grenzen aan gebruik van biomassa

Er is veel onenigheid over de vraag of we biomassa moeten gebruiken voor de energievoorziening. Rond 2000 was biomassa het favoriete idee van klimaatactivisten en beleidsmakers. In die tijd werd eigenlijk elk idee voor duurzame energie omarmd. We hadden nog geen kijk op de potentie van zon, wind en water of andere bronnen. Het was veel te vroeg om echt te kunnen kiezen. Biomassa was een snel bereikbaar alternatief omdat we zouden kunnen doorgaan op de schaalgrootte, infrastructuur en eeuwenlange ervaring van de voedselproductie. Misschien was toen al zichtbaar dat de mens uit gemak dan vooral voedsel (suiker, mais, palmolie) zou gaan gebruiken, maar dat bezwaar werd weggewoven. We zouden op heel veel ongebruikt land snelgroeiende gewassen kunnen planten, zeiden de voorstanders. Zogenaamde marginale gronden: prairies, pampa’s, savannen en arm grasland. Maar in 2008 publiceerde Tim Searchinger, hoogleraar aan de Princeton Universiteit in de VS, met mede-onderzoekers een geruchtmakend artikel in Science; met de alleszeggende titel ‘Gebruik van akkers in de VS voor biobrandstoffen vergroot de uitstoot van broeikasgassen door verandering van landgebruik’. De discussie die hij daarmee uitlokte duurt nog steeds voort. Kijk, zei Searchinger, als je alleen kijkt naar de aanplant van het gewas, bijvoorbeeld maïs, en de biobrandstof die je daaruit maakt, dan voorkom je daarmee inderdaad uitstoot van CO2 door fossiele brandstoffen. Want de CO2 uitgestoten bij verbranding van de biobrandstof is eerder vastgelegd bij de groei van het gewas; plussen en minnen komen uit op nul (afgezien dan van dieselolie voor tractoren en energiegebruik bij kunstmestproductie). Maar dan vergeet je, zegt hij, dat die maïs niet meer opgegeten kan worden en dat daar dus ergens anders nieuw land voor moet worden ontgonnen. Bijvoorbeeld een prairie. Maar nu zit er in de bodem van de prairie heel veel koolstofhoudende humus, en daarvan zal een groot deel worden geoxideerd tot CO2 als je de grond gaat breken. Tel uit je winst. Dit is het gevolg van verandering van landgebruik, vaak in het Engels Land Use Change genoemd, LUC.

Maar het kan nog erger. De nieuwe maïsaanplant kan in de VS de teelt van soja verdringen. Gesubsidieerde biobrandstof nietwaar, daar kan soja niet tegenop. Een andere mogelijkheid: de biobrandstof wordt verplicht gesteld, ook dan stijgt de vraag naar maïs; de meerkosten van biobrandstof worden dan niet betaald door de belastingbetaler maar door de consument. Ander systeem, zelfde resultaat, een kwestie van vestzak/broekzak. In beide gevallen wordt soja verdrongen door maïs. Maar er is wel vraag naar soja, dus in Brazilië wordt de soja-aanplant vergroot. Vaak ten koste van het oerwoud in het Amazonegebied. Voor die biobrandstoffen in de VS gaan dan uiteindelijk hele stukken oerwoud in vlammen op, om er sojaplantages van te maken. Dat is indirecte verandering van landgebruik, Indirect Land Use Change, ILUC. Uiteindelijk, zegt Searchinger, worden we er allemaal slechter van. Als we de grenzen aan gebruik van biomassa negeren, gaat de uitstoot van CO2 niet omlaag, is de subsidie weggegooid geld, en gaat het Amazonewoud kapot.

Mensen zijn gemakzuchtig

De praktijk van biobrandstoffen laat nog een ander nadeel zien: de gemakkelijkst te maken biobrandstoffen komen het eerst – ten koste van de voedselproductie, en (opnieuw) het regenwoud. Bio-ethanol kan het eenvoudigst worden gemaakt uit suiker of zetmeel – voedingsstoffen. Voor biodiesel hebben we plantaardige oliën nodig, zoals palmolie (ook een voedingsstof), waarvoor in Indonesië en Maleisië (alweer) grote stukken oerwoud in brand worden gestoken. Zelfs als we het niet hebben over de bedreigde orang-oetang en de verstikkende rook die een deel van het jaar tot boven Singapore hangt, is dit niet wat wij willen voor het laten rijden van onze auto’s. Maar deze praktijken zijn moeilijk tegen te gaan. Wat betreft Indonesië: wij weten niet of onze mening daar überhaupt wel telt; en er is nog steeds veel kritiek op internationale handelaren in palmolie, die niet precies weten waar hun product vandaan komt. Het is vanuit Westerse hoofdkantoren en hoofdsteden moeilijk zulke praktijken te bestrijden, elke keer zoeken handelaren de weg van de minste weerstand. Al zijn er sinds 2008 wel forse aanpassingen geweest in het beleid, zoals de bevordering van de ‘tweede generatie’ biobrandstoffen (gemaakt uit stro en andere oneetbare producten) boven de ‘eerste generatie’ (gemaakt uit voedingsstoffen).

In het volgende artikel onderzoeken we verder de grenzen aan gebruik van biomassa en formuleren we een aanvaardbaar beleid rond bio-energie.

Interessant? Lees dan ook:
Wat is biomassa eigenlijk?
Nog altijd eenzijdige nadruk op gebruik biomassa voor energie
Efficiënter biomassagebruik in de biobased economy

(Visited 3 times, 1 visits today)

Plaats een reactie